Voor de Jeugd

Het Kerstverhaal
Dit is een waar gebeurd verhaal over twee heel bijzondere mensen: Maria en Jozef. Ze leefden meer dan 2000 jaar geleden in Israël.  Jozef was een eenvoudige timmerman en hij was verloofd met Maria. Jozef en Maria hielden heel veel van elkaar.
Op een dag kwam er een engel naar het kleine huisje van Maria in Nazareth.  De engel zei dat Maria een kindje zou krijgen. En dat het een heel bijzonder kind zou zijn. Een kind dat vrede zal brengen en Koning zal zijn van alle mensen. De engel zei ook dat ze het kindje Jezus moest noemen.
 
Ga naar Bethlehem! 
In die tijd was Keizer Augustus, de hoogste baas van het land. Hij had gezegd dat iedereen moest gaan naar de plaats waar hij vandaan kwam. Dat betekende dat Jozef en Maria naar Bethlehem moesten gaan. Dat was een verre reis. Er waren geen auto’s of treinen en een paard hadden ze ook niet, nee, ze moesten de hele weg lopen!
Hoe moet dat nou? dacht Maria. Het kindje in mijn buik zal bijna geboren worden. Ik kan nu toch niet zo’n lange reis maken? Maar Jozef had een ezeltje en daar mocht Maria op zitten als ze moe was, of als haar voeten pijn deden.


 
Op reis naar Bethlehem 
Maria pakte wat spulletjes in en toen konden ze vertrekken. Het was druk op de weg. Heel veel mensen waren onderweg naar de plaats waar ze geboren waren.
Na een paar dagen kwamen Jozef en Maria eindelijk in Bethlehem aan. Het was al donker en ze waren doodmoe. Maria  voelde  dat haar kindje bijna geboren zou worden. Ze werd een beetje ongerust, want nergens was een plekje om te slapen, alle hotels waren vol! Jozef zei vriendelijk ‘. Er is vast wel ergens plek voor ons’.
Maar niemand wilde hen binnenlaten. Toen ze weer een stuk verder waren gegaan,  zag Jozef nog één herberg. Ze gingen ernaartoe en klopten aan. Een vriendelijke man deed open.   ‘Nee,’ zei hij, ‘ik heb geen plaats meer in mijn hotel. Maar een stukje verderop staat een oude stal. Misschien kunt u daar slapen.’ Jozef bedankte de man en zei tegen Maria:  ‘Het zal er tenminste droog zijn én warmer dan buiten.’

Toen ze de stal gevonden hadden, maakte  Jozef een bed van stro en hooi. Zo kon Maria uitrusten van de lange reis.

Jezus wordt geboren
En die nacht gebeurde het. In die oude stal werd het Kindje geboren.
Maria wikkelde haar Kindje in een paar zachte doeken en  Jozef vulde een voederbak met schoon stro. Toen legde Maria het kindje er voorzichtig in. Zo lag het lekker warm en zacht.
Samen keken ze naar dat kleine mensje. Ze hadden tranen van geluk in hun ogen.  Zoiets moois hadden ze nog nooit gezien.
En ze noemden hun kindje Jezus, precies zoals de engel gezegd had.


De herders en de engelen
Buiten op het veld waren  herders. Ze pasten op hun schapen. Ze moesten goed opletten dat er geen schapen wegliepen en dat er geen wolven bij de schapen kwamen.
Het leek een heel gewone nacht maar toen . .
Opeens was er een helder licht en stond er een engel naast de kudde!
De herders schrokken. Maar de engel zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik kom iets moois vertellen. Ik breng jullie een boodschap van God:
‘In Bethlehem is  vannacht een bijzonder Kindje geboren. Een Kind dat door God zelf beloofd is. Als hij ouder is, zal Hij alle mensen gelukkig maken. Hij zal hun leren wat ware vriendschap en liefde is.  Het Kindje heet  Jezus en is gewikkeld in doeken. Ga Hem zoeken, Hij ligt in een kribbe’.

Daarna zagen de herders een groot koor van engelen en was de lucht vol muziek. De engelen zongen Eer zij God,  om God te bedanken voor het Kindje Jezus dat geboren was.         De herders keken hun ogen uit. Zoiets moois  hadden ze nog nooit gezien en gehoord.  Ze lieten hun schapen in de steek en gingen meteen op weg.


De herders bij de stal
Jozef en Maria zaten bij het Kindje Jezus in de stal. Plotseling hoorden ze stemmen dichterbij komen. Een paar herders keken nieuwsgierig naar binnen. En toen ze Jezus in de kribbe zagen, liepen ze vol verwondering naar Hem toe.  ’Dit moet het kindje zijn waarover de engelen zongen!’ zeiden ze. De herders werden helemaal blij van die gedachte.
Ze vertelden Maria en Jozef wat er die avond allemaal gebeurd was. Ze keken nog een tijdje naar het kleine Kindje in de kribbe. Toen namen ze afscheid, want ze moesten snel terug naar hun schapen.


Gedicht voor bij de kribbe
Jozef en Maria
zijn op reis gegaan.
Maria zit op het ezeltje,
en Jozef loopt vooraan.

Ze komen laat in Bethlehem.
De mensen slapen al.
Nergens is een plekje meer,
alleen nog een stal.

In het veld zijn herders.
Zij houden in de nacht,
over hun schapen,
bij het vuur de wacht.

Opeens komt er een engel.
Die zegt tegen hen;
“Jezus is geboren,
ga vlug naar Bethlehem!”

De herders knielen neer voor Jezus.
Eerbiedig zeggen zij:
“Jezus is onze Koning,
Hij maakt de mensen blij.”

Alle mensen, groot en klein,
krijgen het te horen,
dat vannacht in Bethlehem,
Jezus is geboren!

                                                                Pastoor F. Jongen, kapelaan J. Boon en
                                                                de leden van de Werkgroep Gezinsvieringen 
                                                                wensen u en uw gezin:

Kleurplaten:

Samen met mama of papa kun je op de computer ook eens kijken naar de volgende filmpjes:
https://youtu.be/TWslv31cMDE   (van onze Juf Marie-José!)
https://www.youtube.com/watch?v=KopiCx99mpI
https://www.youtube.com/watch?v=kvA-sxIhgtc
https://www.youtube.com/watch?v=9m-7JGNC_kU

 

Je weet vast en zeker wel dat we met Kerstmis gevierd hebben dat het Kindje Jezus geboren is in een stal in Bethlehem. De eerste mensen die op “kraamvisite” mochten komen waren de herders. Dat waren hele arme en eenvoudige mensen.

 

Vandaag horen we dat ook koningen naar Jezus gaan! Dat waren wijze, hele belangrijke en rijke mannen. Ze wisten veel over sterren en ze hadden in oude geschriften gelezen, dat een heldere ster een teken zou zijn, dat er een Koningskind geboren was.

 

Toen ze op een avond een super heldere ster hadden gezien, hebben ze hun paleizen verlaten om het Kind te gaan zoeken. En de heldere ster ging voor hen uit. Ze volgden de ster en kwamen na een hele lange reis bij de stad Jeruzalem. Omdat ze  meenden dat een Koningskind alleen in een paleis geboren kon zijn, gingen ze in Jeruzalem naar koning Herodes. Ze vroegen hem of hij wist waar het Koningskind was. Maar Herodes wist van niets en zijn Schriftgeleerden stuurden de koningen naar Bethlehem. 

 

Toen ze buiten de stad gekomen waren zagen ze opeens de ster weer. Wat waren ze blij, want de ster ging voor hen uit tot op de plaats waar  Maria, Jozef en Jezus waren.

 

De koningen zagen het kindje Jezus en vielen op hun knieën! Stel je dat eens voor: Die grote belangrijke, rijke en wijze mannen gingen op hun knieën!! Ze maakten zich klein omdat ze wisten dat Jezus de Koning van alle koningen is.

Natuurlijk hadden ze ook wat meegebracht; echte koningscadeautjes: ze gaven goud, wierook en mirre. Goud voor Jezus als Koning, wierook om Jezus als Zoon van God te heiligen; mirre een dure “zalf” tegen pijn. 

 

In veel Zuid-Europese landen geven mensen elkaar niet met Kerst, maar op  Driekoningen een cadeautje!

 

Welke cadeautjes hebben wij voor Jezus? Maken wij ons ook wel eens klein, om een ander groot te laten zijn / om een ander vóór te laten gaan? 

Of voelen wij ons zelf een koningskind dat altijd op de eerste plaats moet komen?

 

Fijn Driekoningenfeest!